vrijdag 30 maart 2018

Geen cadeau

In Vlaanderen hoor je regelmatig de uitdrukking 'dat is geen cadeau'. Daarmee wordt bedoeld dat je iemand met iets vervelends opzadelt, hem of haar iets in de maag splitst. Je kan trouwens ook als mens 'geen cadeau zijn', wat heel spijtig is, want dat wil zeggen dat je niet moeders mooiste bent en geen lot uit de liefdesloterij.

Ik moest aan die uitdrukking denken (in de eerste betekenis) toen we een tijdje geleden op bezoek gingen bij vrienden en in plaats van de obligate bos bloemen een heus bonsaiboompje als geschenk meebrachten. Zeer in onze nopjes met dit razend originele cadeau overhandigden we de sierboom aan de vrouw des huizes. Die was enige tijd sprakeloos, terwijl ze het edele dwergboompje onhandig vasthield, zoals een oude vrijster een baby die haar ongevraagd in de handen is gestopt. 'Nou, we zullen onze vakantie maar annuleren', zei ze ten slotte tegen haar man bij wijze van grap, maar het klonk niet echt vrolijk. Daarna werd de kostelijke sierboom door de gastheer op een bijzettafeltje in de gang geparkeerd, waarschijnlijk de laatste tassenhalte richting eindbestemming: de groenafvalcontainer. 

Niet ontmoedigd door deze tegenvaller kochten we een week of wat later opnieuw een bonsaiboompje om mee te nemen naar vrienden in het hoge noorden van Nederland. Maar ook hier was de reactie van de gastvrouw er een van lichte ontzetting. 'Hoe moet je voor zo'n ding zorgen?' stamelde ze. 'Ik zal maar gauw een handboek gaan kopen.' Toen drong het probleem eindelijk tot ons door. Wij geven een schattig boompje, maar de ontvanger ziet enkel een aandachtsmonstertje, dat omringd dient te worden met de tederste zorg: regelmatig bijknippen, takjes omleiden, speciale dure voeding, aangepast binnenklimaat enzovoort.
Terwijl je hem alleen maar elke dag wat water moet geven, zo staat het althans op het kaartje dat erbij zit. Maar dat is voor de meeste mensen al te veel gevraagd. De volgende keer nemen me dus maar weer gewoon een boeket mee.

zaterdag 9 december 2017

Afscheid van een iconische pet

Elke morgen struin ik de Nederlandse nieuwssites af, en dan schrik ik soms toch wel even. 'KLM schaft iconische pilotenpet af ' las ik gisteren bijvoorbeeld op nu.nl. Waarheen, mijn vaderland, vroeg ik mij vertwijfeld af. Is dan niets meer heilig? 'KLM ziet niet langer de toegevoegde waarde van een pet', ging het verder. Tja, alles zonder toegevoegde waarde is weerloos, 'iconisch' of niet. (Oh, verdween dat woord maar in plaats van de pilotenpet!) De beslissing om de pilotenpet af te schaffen wordt 'absoluut niet ingegeven door kostenoverwegingen', aldus de woordvoerder van KLM. Een fraai staaltje van spontane ontkenning. Van een luchtvaartmaatschappij in financiële nood kun je alles verwachten, zelfs dat ze haar piloten hun pet afpakt om de kosten te drukken.

Volgens Joost van Doesburg van de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers - een functie die vroeger werd bekleed door een man met de even prachtige als omineuze naam Benno Baksteen - hoopt KLM met het afschaffen van de pet ook te bereiken 'dat piloten toegankelijker worden, en makkelijker aanspreekbaar voor de passagiers.' Kijk, daar kan ik inkomen. Het lijkt me bijvoorbeeld een goed idee als de piloot zich voor vertrek even persoonlijk aan mij komt voorstellen, in plaats van vanuit zijn veilige cockpit met zijn iconische pet op dat stomme verhaaltje af te draaien over hoelang het vliegen is en wat voor weer het op Tenerife wordt. (Ik kijk overigens wel graag naar de lichtelijk absurde pantomime van de veiligheidsdemonstratie.) Dan kan ik meteen even checken of de beste man of vrouw die mij veilig door het luchtruim moet loodsen een beetje fris en betrouwbaar oogt, en niet bijvoorbeeld nog half zat is van een nacht doorzakken met de bemanning, of eruitziet of hij of zij, om maar wat te noemen, van plan is zijn Boeing of Airbus tegen een berg te laten crashen omdat het privé niet zo lekker loopt. Stukje toegevoegde waarde.


dinsdag 31 januari 2017

De computer is ook maar een mens

Iedere keer als ik met mijn boodschappenwagentje de lift van de Antwerpse Albert Heijn in stap en op het knopje druk, weerklinkt een toonloze Hollandse vrouwenstem, die mij vertelt naar welke verdieping ik onderweg ben ('bechane chrond', 'eerstuh etaasje'). Ik hoor van alles in die stem: verveling, berusting, een vleugje wanhoop zelfs. Ik zie een bijstandsmoeder aan de valium voor me, die zich naar de studio sleept om in het zwart voor het halve minimumloon dit bandje in te spreken, waar ik elke woensdagmorgen in de lift van de Appie naar moet luisteren. Albert Heijn let op de kleintjes.

Nee, geef mij dan maar Bram, de man van TomTom die mij al jarenlang met opgewekte, sonore stem de weg wijst. Ik stel mij hem voor als een virielere versie van Hans van Willigenburg, met snor, houthakkershemd en stralend witte tanden. Een man die je je als buurman zou wensen. In Engeland kun je de stem van Jeremy Clarkson op je TomTom zetten, die je met een spervuur van (ongetwijfeld terechte) beledigingen en grappen naar je bestemming begeleidt. Mij niet gezien. I love Bram.
Brams immer energieke aanwijzingen maken een ritje naar de Colruyt al tot een avontuur ('Bestemming bereikt!'). Ik bewonder zijn kalme nuchterheid, die hem in staat stelt op hachelijke momenten als enige van ons tweeën helder te blijven denken ('Probeer verderop te keren'). De keerzijde is dat Bram ook een beetje een drammer is, die blijft doorgaan met 'neem de afslag' zeggen terwijl je allang en breed van baan verwisseld bent. Ik vergeef het hem.
 
De kleinste man in dit huis heeft ook de geneugten van sprekende apparaten ontdekt. Hij praat graag tegen Siri, de wat tuttige digitale assistent van Apple, die met ezelsgeduld overal antwoord op geeft met haar saaie zeurstem. Hij vindt het vooral leuk haar tot wanhoop te drijven met vragen als 'Hoe gaat het?', 'Wat eet je vanavond?' of 'Hou je van voetbal?' Persoonlijke vragen zijn duidelijk niet Siri's sterke punt, want ze komt altijd met laffe uitvluchten als 'Ik weet het niet, maar ik kan je wel alles vertellen over ...' gevolgd door een of ander niet ter zake doend onderwerp.
Daar trappen we niet in, Siri.
Wel moet ze enig gevoel voor humor hebben, want op de vraag 'Wat is de zin van het leven' schijnt ze ooit geantwoord te hebben: 'Tot nu toe wijst alles op chocola.'

vrijdag 6 januari 2017

Op bezoek bij de metalstam


Lach om hardrock. Verfoei hardrock. Hardrock is vulgaire muziek en bijzonder populair. Als kenner moet u er daarom tegen zijn’ Aan die schrille uitspraak uit Het Grote Blufboek van 1980 moest ik denken toen ik in oktober voor het eerst in jaren weer eens een metalconcert bezocht. Aan het begin van elk nieuw  jaar heb ik een muzikaal voornemen. Vaak is dat vrij algemeen, zoals ‘meer naar nieuwe muziek luisteren’ of ‘proberen van jazz te genieten’ (dat laatste lukt nog niet zo goed). En een van mijn muzikale voornemens voor 2016 was om weer eens naar een metalconcert te gaan. Toch was mijn laatste metalervaring, een optreden van King’s X in De Boerderij in Zoetermeer, mij niet zo goed bekomen. King’s X behoort niet tot de zwaargewichten onder de metalachtigen, maar de decibelmeter in de zaal kwam niettemin zelden beneden de pijngrens van 110 decibel. Gevolg was dat je borstkas in elkaar werd gedrukt en – een tamelijk verbijsterende ervaring – je broekspijpen vrolijk begonnen te fladderen. Een vriend en medeconcertganger, metalveteraan van het eerste uur, legde mij uit dat dit volkomen normaal is en hij adviseerde mij dringend voortaan oordoppen in te doen. 

In oktober vorig jaar toog ik in het gezelschap van enkele geharde metalheads naar Vosselaar, waar de Nederlandstalige folk schuine streep Vikingmetalgroep Heidevolk optrad samen met drie andere, geestverwante bands (het subgenre van de folkmetal is één grote, gezellige familie). Nu is folkmetal een wat bedrieglijke term. Het is hard zoeken naar de folkelementen in de allesvernietigende trashmetal waar de heren van Heidevolk je op trakteren. Enkel de teksten over opstandige Batavieren en twee afgebrande boomstronken die op het podium stonden, gaven blijk van enige folkgezindheid. 

Gelukkig had ik de raad van mijn vriend goed in mijn gehoorbeschadigde oren geknoopt. Deze keer was ik gewapend met het zwaarste model oordoppen dat voor geld te koop is, zodat ik het geraas en getier van Heidevolk en consorten zonder een centje oorpijn over mij heen kon laten komen. Intussen viel het niet mee de lachspieren in bedwang te houden, want sommige fans leven zich iets te hard in de folk-thematiek in. Zij dragen niet het standaard uitgaanstenue der metalfan (lederen jacker of spijkerjasje, T-shirt met bandlogo, sneakers), maar hullen zich in dierenvachten (die een beetje lijken op de tapijten van de IKEA) en hebben, jawel, een koehoorn aan hun koppelriem hangen. Opvallend: deze schaapscheerders, en trouwens het hele publiek, blijken ondanks hun afschrikwekkend voorkomen zeer vriendelijke, volmaakt onschadelijke mensen te zijn, soms op het verlegene af. De sfeer van algehele gemoedelijkheid onder het publiek leek plotseling om te slaan toen twee groepen mannelijke metalfans zich tegenover elkaar opstelden. Op een teken van de zanger van de Britse formatie Nothgard (het kan ook FinterForst geweest zijn) stortten de twee groepen zich op elkaar, waarna een soort moleculenbotsing  op mensenschaal ontstond en iedereen als flipperkastballetjes op elkaar knalde. Het zag er een beetje intimiderend uit, maar als snel heb je door dat het allemaal maar spel is, een oermannenritueel dat jonge mannen de kans geeft hun kracht en durf te tonen.

Vier uren van gestamp, gebeuk en gebrul en vele pullen gerstenat verder, ga je wankelend en volkomen overprikkeld weer naar buiten, maar voel je je wel bevoorrecht dat je als een soort antropoloog bij deze stam op bezoek bent geweest, en getuige hebt mogen zijn van hun wonderlijke rituelen.

zondag 19 juni 2016

Computer says run

Apps die je tot sporten aanzetten, weer een nieuwe zegen voor de mensheid. De Runkeeper app op mijn smartphone is de onbetwiste kampioen slavendrijven. 'Vorige week had je een geweldige training Arno. Waar wacht je nog op?' blaat het ding op deze vredige zondagmorgen. Ga zelf een rokje blond lopen, roep ik terug en pak de economiekatern uit de zaterdagkrant, waarin weer de sportkatern verstopt zit, waarin enz. (een soort papieren matroesjka, waar ik, onnozelaar, mij elke zaterdag weer door laat verrassen)
Maar intussen knaagt zo'n app-merking aan mijn sportgeweten. Zodat ik straks toch van de bank kruip, mij in mijn gloednieuwe Björn Borg trainingspak hijs en de kniegewrichten eens flink ga teisteren op 's heren wegen. Lopen kreng! Zulks is de macht van de nieuwe media.
En dat terwijl de jongens en meisjes die dit moois bedenken, pizzapunt en extra large cola bij de hand, dag en nacht als galeislaven aan hun computertje vastgekluisterd zitten, in een slecht verlicht, kaal pop-upkantoor ergens in San Francisco. Zo vastberaden om de wereld te verrijken met nieuwe, onontbeerlijke apps, dat ze zich niet laten afleiden door zoiets futiels als een hartinfarct. Op hun achtentwintigste.
Hoe ik dat allemaal weet? Gewoon lekker op de bank hersenloos naar VTM kijken, de 'grootse familie van Vlaanderen', analoog aan de Nederlandse TROS (als die nog bestaat, ik houd het allemaal niet meer zo goed bij hier). Je kunt natuurlijk beter een 'geweldige training' gaan doen. Hoewel, dat was die jongen van het hartinfarct ook aan het doen, op een loopband. Wie bedenkt er eens een app die een mens van onverantwoorde sportactiviteiten weerhoudt? 'Je was net zo zalig aan het nietsdoen Arno. Wil je nu echt gaan lopen?'

vrijdag 22 april 2016

Bemoste stenen


Terwijl de ene na de andere muziekreus geveld wordt in de kracht van zijn leven (Bowie, Prince, Eddy Wally), blijven de knoestige senioren van de Rolling Stones op wonderbaarlijk wijze overeind. Sterker nog: op Cuba stonden ze onlangs voor een slordige anderhalf miljoen enthousiaste voormalige socialisten weer eens ouderwets te rocken.

Helaas heb ik enkel een stukje van het erbarmelijk slechte voorprogramma gezien, waarin vier broze, stokoude heren wat krakkemikkige rhythm & bluesnummertjes speelden, onzeker om zich heen kijkend alsof ze zo uit het rusthuis waren weggesleurd.
Die twee kromme, als seniele circusberen rondschuifelende mannen met hun gitaren op halfzeven leken in de verte wel een beetje op Keith Richards en Ron Wood, moet ik zeggen. En die verwarde, schreeuwende kerel die de hele tijd heen en weer liep te draven alsof hij op zoek was naar de nooduitgang, die had beslist iets weg van Mick Jagger. Charlie Watts drumde trouwens op sympathieke wijze een partijtje mee met het meelijwekkende gezelschap. De bassist was vreemd genoeg dan weer een piepjonge zwarte kerel, die af en toe vol ongeloof naar zijn bejaarde kompanen keek, alsof hij maar niet begreep hoe hij hiertussen was beland.

God mag weten waarom deze stakkers op het podium waren gehesen. Waren het soms oude vrienden van de Grootste rock & rollband op aarde? De Cubanen leken het in elk geval allemaal prachtig te vinden, al klonk het in mijn oren als een buitenboordmotor die vastloopt in de modder. Ach, je kunt het ze niet kwalijk nemen, na zestig jaar muzikaal op een houtje bijten.
Jammer dat ik het concert van de Stones zelf niet gezien heb.

donderdag 29 januari 2015

Schaken doe je (niet) zo

U kent de HEMA natuurlijk, die uit Nederland overgewaaide ‘warenhuisketen voor food en non-food’ – de befaamde HEMA rookworsten vallen wat mij betreft in de tweede categorie.
Ooit kocht ik er een schaakspel, dat ik nog steeds bezit. 

De doos bevat de aanprijzing ‘Met houten speelstukken’. Toen ik klein was, heb ik blijkbaar gecontroleerd of ze misschien toch in de food-categorie vielen, want sommige stukken zien er afgekloven uit. Ze ruiken trouwens niet alleen naar plastic (dus geen hout) maar ook naar kokos!

Bij het spel zit een handleiding met een nogal misleidend karakter. Het begint al bij regel 6:
‘Wit begint te spelen: als regel opent hij het spel door een van zijn pionnen 1 of 2 vakjes vooruit te zetten.’  Dit komt op hetzelfde neer als wanneer in de spelregels van het voetbal zou staan ‘als regel wordt er een doelpunt gescoord met de voet’. Een van de gangbare openingszetten is nota bene paard g1-f3!

Voorts stelt de doos dat het spel ongeschikt is voor kinderen jonger dan 8 jaar. Niet zo verstandig, want de gemiddelde leeftijd waarop een wereldkampioen schaken het spel leert, ligt onder de 7 jaar. De laatste zeven wereldkampioenen zaten daar zelfs ver onder: Spasski (5), Fischer (6), Karpov (4), Kasparov (5), Kramnik (4), Anand (6), Carlsen (5). Hoe anders zou de schaakgeschiedenis zijn verlopen als zij naar de HEMA hadden geluisterd ...

"Wat is dat, papa?"
"Dat is een schaakspel Magnus, maar daar ben je nog véél te jong voor."
"Ja maar, ik wil het heel graag leren."
"Mond dicht en ga met je lego spelen!"

De doos bevat nog meer vreemde informatie. Zo zou een partijtje schaak maximaal een half uur à drie kwartier mogen duren. Tja, er had even goed zes uur kunnen staan. Of drie minuten. Het ligt er maar aan wat je met elkaar afspreekt, of welke tijd je op je schaakklok instelt.

Ook zijn de makers er niet in geslaagd om de rijen (1-8) en kolommen (a-h) juist op het bord te zetten: de velden hebben een dubbele nummering, waardoor wits linker toren zich tegelijkertijd op positie h8 en a1 bevindt.  Verder zijn de zwarte velden precies even zwart als de zwarte stukken, wat het zicht op de positie van de zwartspeler niet ten goede komt.

Kortom, het is een wonder ik met deze schaakset enigszins redelijk schaak heb leren spelen. Misschien had ik het anders wel tot wereldkampioen geschopt.