dinsdag 31 januari 2017

De computer is ook maar een mens

Als ik met mijn boodschappenwagentje de lift van de Antwerpse Albert Heijn in stap en op het knopje druk, weerklinkt een toonloze, ontzettend Hollandse vrouwenstem, die mij vertelt naar welke verdieping ik onderweg ben ('bechane chrond', 'eerstuh etaasje'). Ik hoor van alles in die stem: verveling, berusting, een vleugje wanhoop zelfs. Ik zie een bijstandsmoeder aan de valium voor me, die zich naar de studio sleept om in het zwart voor het halve minimumloon dit bandje in te spreken, waar ik elke woensdagmorgen in de lift van de Appie naar moet luisteren. Albert Heijn let op de kleintjes.

Nee, geef mij dan maar Bram, de man van TomTom die mij al jarenlang met opgewekte, sonore stem de weg wijst. Ik stel mij hem voor als een virielere versie van Hans van Willigenburg, met snor, houthakkershemd en stralend witte tanden. Een man die je je als buurman zou wensen. In Engeland kun je de stem van Jeremy Clarkson op je TomTom zetten, die je met een spervuur van (ongetwijfeld terechte) beledigingen en grappen naar je bestemming begeleidt. Mij niet gezien. I love Bram.
Brams immer energieke aanwijzingen maken een ritje naar de Colruyt al tot een avontuur ('Bestemming bereikt!'). Ik bewonder zijn kalme nuchterheid, die hem in staat stelt op hachelijke momenten als enige van ons tweeën helder te blijven denken ('Probeer verderop te keren'). De keerzijde is dat Bram ook een beetje een drammer is, die blijft doorgaan met 'neem de afslag' zeggen terwijl je allang en breed van baan verwisseld bent. Ik vergeef het hem.
 
De kleinste man in dit huis heeft ook de geneugten van sprekende apparaten ontdekt. Hij praat graag tegen Siri, de wat tuttige digitale assistent van Apple, die met ezelsgeduld overal antwoord op geeft met haar saaie zeurstem. Hij vindt het vooral leuk haar tot wanhoop te drijven met vragen als 'Hoe gaat het?', 'Wat eet je vanavond?' of 'Hou je van voetbal?' Persoonlijke vragen zijn duidelijk niet Siri's sterke punt, want ze komt altijd met laffe uitvluchten als 'Ik weet het niet, maar ik kan je wel alles vertellen over ...' gevolgd door een of ander niet ter zake doend onderwerp.
Daar trappen we niet in, Siri.
Wel moet ze enig gevoel voor humor hebben, want op de vraag 'Wat is de zin van het leven' schijnt ze ooit geantwoord te hebben: 'Tot nu toe wijst alles op chocola.'

vrijdag 6 januari 2017

Op bezoek bij de metalstam


Lach om hardrock. Verfoei hardrock. Hardrock is vulgaire muziek en bijzonder populair. Als kenner moet u er daarom tegen zijn’ Aan die schrille uitspraak uit Het Grote Blufboek van 1980 moest ik denken toen ik in oktober voor het eerst in jaren weer eens een metalconcert bezocht. Aan het begin van elk nieuw  jaar heb ik een muzikaal voornemen. Vaak is dat vrij algemeen, zoals ‘meer naar nieuwe muziek luisteren’ of ‘proberen van jazz te genieten’ (dat laatste lukt nog niet zo goed). En een van mijn muzikale voornemens voor 2016 was om weer eens naar een metalconcert te gaan. Toch was mijn laatste metalervaring, een optreden van King’s X in De Boerderij in Zoetermeer, mij niet zo goed bekomen. King’s X behoort niet tot de zwaargewichten onder de metalachtigen, maar de decibelmeter in de zaal kwam niettemin zelden beneden de pijngrens van 110 decibel. Gevolg was dat je borstkas in elkaar werd gedrukt en – een tamelijk verbijsterende ervaring – je broekspijpen vrolijk begonnen te fladderen. Een vriend en medeconcertganger, metalveteraan van het eerste uur, legde mij uit dat dit volkomen normaal is en hij adviseerde mij dringend voortaan oordoppen in te doen. 

In oktober vorig jaar toog ik in het gezelschap van enkele geharde metalheads naar Vosselaar, waar de Nederlandstalige folk schuine streep Vikingmetalgroep Heidevolk optrad samen met drie andere, geestverwante bands (het subgenre van de folkmetal is één grote, gezellige familie). Nu is folkmetal een wat bedrieglijke term. Het is hard zoeken naar de folkelementen in de allesvernietigende trashmetal waar de heren van Heidevolk je op trakteren. Enkel de teksten over opstandige Batavieren en twee afgebrande boomstronken die op het podium stonden, gaven blijk van enige folkgezindheid. 

Gelukkig had ik de raad van mijn vriend goed in mijn gehoorbeschadigde oren geknoopt. Deze keer was ik gewapend met het zwaarste model oordoppen dat voor geld te koop is, zodat ik het geraas en getier van Heidevolk en consorten zonder een centje oorpijn over mij heen kon laten komen. Intussen viel het niet mee de lachspieren in bedwang te houden, want sommige fans leven zich iets te hard in de folk-thematiek in. Zij dragen niet het standaard uitgaanstenue der metalfan (lederen jacker of spijkerjasje, T-shirt met bandlogo, sneakers), maar hullen zich in dierenvachten (die een beetje lijken op de tapijten van de IKEA) en hebben, jawel, een koehoorn aan hun koppelriem hangen. Opvallend: deze schaapscheerders, en trouwens het hele publiek, blijken ondanks hun afschrikwekkend voorkomen zeer vriendelijke, volmaakt onschadelijke mensen te zijn, soms op het verlegene af. De sfeer van algehele gemoedelijkheid onder het publiek leek plotseling om te slaan toen twee groepen mannelijke metalfans zich tegenover elkaar opstelden. Op een teken van de zanger van de Britse formatie Nothgard (het kan ook FinterForst geweest zijn) stortten de twee groepen zich op elkaar, waarna een soort moleculenbotsing  op mensenschaal ontstond en iedereen als flipperkastballetjes op elkaar knalde. Het zag er een beetje intimiderend uit, maar als snel heb je door dat het allemaal maar spel is, een oermannenritueel dat jonge mannen de kans geeft hun kracht en durf te tonen.

Vier uren van gestamp, gebeuk en gebrul en vele pullen gerstenat verder, ga je wankelend en volkomen overprikkeld weer naar buiten, maar voel je je wel bevoorrecht dat je als een soort antropoloog bij deze stam op bezoek bent geweest, en getuige hebt mogen zijn van hun wonderlijke rituelen.

zondag 19 juni 2016

Computer says run

Apps die je tot sporten aanzetten, weer een nieuwe zegen voor de mensheid. De Runkeeper app op mijn smartphone is de onbetwiste kampioen slavendrijven. 'Vorige week had je een geweldige training Arno. Waar wacht je nog op?' blaat het ding op deze vredige zondagmorgen. Ga zelf een rokje blond lopen, roep ik terug en pak de economiekatern uit de zaterdagkrant, waarin weer de sportkatern verstopt zit, waarin enz. (een soort papieren matroesjka, waar ik, onnozelaar, mij elke zaterdag weer door laat verrassen)
Maar intussen knaagt zo'n app-merking aan mijn sportgeweten. Zodat ik straks toch van de bank kruip, mij in mijn gloednieuwe Björn Borg trainingspak hijs en de kniegewrichten eens flink ga teisteren op 's heren wegen. Lopen kreng! Zulks is de macht van de nieuwe media.
En dat terwijl de jongens en meisjes die dit moois bedenken, pizzapunt en extra large cola bij de hand, dag en nacht als galeislaven aan hun computertje vastgekluisterd zitten, in een slecht verlicht, kaal pop-upkantoor ergens in San Francisco. Zo vastberaden om de wereld te verrijken met nieuwe, onontbeerlijke apps, dat ze zich niet laten afleiden door zoiets futiels als een hartinfarct. Op hun achtentwintigste.
Hoe ik dat allemaal weet? Gewoon lekker op de bank hersenloos naar VTM kijken, de 'grootse familie van Vlaanderen', analoog aan de Nederlandse TROS (als die nog bestaat, ik houd het allemaal niet meer zo goed bij hier). Je kunt natuurlijk beter een 'geweldige training' gaan doen. Hoewel, dat was die jongen van het hartinfarct ook aan het doen, op een loopband. Wie bedenkt er eens een app die een mens van onverantwoorde sportactiviteiten weerhoudt? 'Je was net zo zalig aan het nietsdoen Arno. Wil je nu echt gaan lopen?'

vrijdag 22 april 2016

Bemoste stenen


Terwijl de ene na de andere muziekreus geveld wordt in de kracht van zijn leven (Bowie, Prince, Eddy Wally), blijven de knoestige senioren van de Rolling Stones op wonderbaarlijk wijze overeind. Sterker nog: op Cuba stonden ze onlangs voor een slordige anderhalf miljoen enthousiaste voormalige socialisten weer eens ouderwets te rocken.

Helaas heb ik enkel een stukje van het erbarmelijk slechte voorprogramma gezien, waarin vier broze, stokoude heren wat krakkemikkige rhythm & bluesnummertjes speelden, onzeker om zich heen kijkend alsof ze zo uit het rusthuis waren weggesleurd.
Die twee kromme, als seniele circusberen rondschuifelende mannen met hun gitaren op halfzeven leken in de verte wel een beetje op Keith Richards en Ron Wood, moet ik zeggen. En die verwarde, schreeuwende kerel die de hele tijd heen en weer liep te draven alsof hij op zoek was naar de nooduitgang, die had beslist iets weg van Mick Jagger. Charlie Watts drumde trouwens op sympathieke wijze een partijtje mee met het meelijwekkende gezelschap. De bassist was vreemd genoeg dan weer een piepjonge zwarte kerel, die af en toe vol ongeloof naar zijn bejaarde kompanen keek, alsof hij maar niet begreep hoe hij hiertussen was beland.

God mag weten waarom deze stakkers op het podium waren gehesen. Waren het soms oude vrienden van de Grootste rock & rollband op aarde? De Cubanen leken het in elk geval allemaal prachtig te vinden, al klonk het in mijn oren als een buitenboordmotor die vastloopt in de modder. Ach, je kunt het ze niet kwalijk nemen, na zestig jaar muzikaal op een houtje bijten.
Jammer dat ik het concert van de Stones zelf niet gezien heb.

donderdag 29 januari 2015

Schaken doe je (niet) zo

U kent de HEMA natuurlijk, die uit Nederland overgewaaide ‘warenhuisketen voor food en non-food’ – de befaamde HEMA rookworsten vallen wat mij betreft in de tweede categorie.
Ooit kocht ik er een schaakspel, dat ik nog steeds bezit. 

De doos bevat de aanprijzing ‘Met houten speelstukken’. Toen ik klein was, heb ik blijkbaar gecontroleerd of ze misschien toch in de food-categorie vielen, want sommige stukken zien er afgekloven uit. Ze ruiken trouwens niet alleen naar plastic (dus geen hout) maar ook naar kokos!

Bij het spel zit een handleiding met een nogal misleidend karakter. Het begint al bij regel 6:
‘Wit begint te spelen: als regel opent hij het spel door een van zijn pionnen 1 of 2 vakjes vooruit te zetten.’  Dit komt op hetzelfde neer als wanneer in de spelregels van het voetbal zou staan ‘als regel wordt er een doelpunt gescoord met de voet’. Een van de gangbare openingszetten is nota bene paard g1-f3!

Voorts stelt de doos dat het spel ongeschikt is voor kinderen jonger dan 8 jaar. Niet zo verstandig, want de gemiddelde leeftijd waarop een wereldkampioen schaken het spel leert, ligt onder de 7 jaar. De laatste zeven wereldkampioenen zaten daar zelfs ver onder: Spasski (5), Fischer (6), Karpov (4), Kasparov (5), Kramnik (4), Anand (6), Carlsen (5). Hoe anders zou de schaakgeschiedenis zijn verlopen als zij naar de HEMA hadden geluisterd ...

"Wat is dat, papa?"
"Dat is een schaakspel Magnus, maar daar ben je nog véél te jong voor."
"Ja maar, ik wil het heel graag leren."
"Mond dicht en ga met je lego spelen!"

De doos bevat nog meer vreemde informatie. Zo zou een partijtje schaak maximaal een half uur à drie kwartier mogen duren. Tja, er had even goed zes uur kunnen staan. Of drie minuten. Het ligt er maar aan wat je met elkaar afspreekt, of welke tijd je op je schaakklok instelt.

Ook zijn de makers er niet in geslaagd om de rijen (1-8) en kolommen (a-h) juist op het bord te zetten: de velden hebben een dubbele nummering, waardoor wits linker toren zich tegelijkertijd op positie h8 en a1 bevindt.  Verder zijn de zwarte velden precies even zwart als de zwarte stukken, wat het zicht op de positie van de zwartspeler niet ten goede komt.

Kortom, het is een wonder ik met deze schaakset enigszins redelijk schaak heb leren spelen. Misschien had ik het anders wel tot wereldkampioen geschopt.

woensdag 31 december 2014

Help, mijn kapper is te hip


Toen ik nog studeerde liet ik me voor de somma van elf gulden bij de Turkse kapper op de Breestraat 'knippen'. Dat kwam neer op rats-rats met de tondeuse en binnen tien minuten stond je zo kaal als Sinéad O'Connor weer buiten.

Dat gaat er tegenwoordig wel anders aan toe. In de aanloop naar mijn huwelijk ben ik naar zo'n überhippe Antwerpse kapper gegaan, waar je voor een simpele knipbeurt een bedrag neertelt dat ik hier niet eens durf te noemen. Zo'n kapper waar men niet knipt, maar 'creëert'. Bij binnenkomst werd ik vriendelijk onthaald door een meisje met een ring door haar neus en een spijkerbroek met meer gaten dan stof. Ze parkeerde me met een nespresso aan een tafeltje met modetijdschriften vol zeer ontevreden kijkende modellen, waardoor de lust om de aangeprezen kleding aan te schaffen mij meteen verging. Uit de boxen sijpelde loungy jazz, of jazzy lounge, in elk geval: keicoole muziek.

Na enig wachten verscheen de kapster herself. Dat was schrikken. Even overwoog ik of ik mijn 'coiffure' wel wilde toevertrouwen aan iemand die zelf knalblauw haar had. Ik besloot alle terughoudendheid te laten varen, plantte mijn nek in de guillotinewasbak en gaf mij over aan een dubbele haarwassing die veel weghad van een drukpuntmassage. In deze gefixeerde positie was ik gedwongen om op een reusachtig televisiescherm te kijken naar videoclips van onder meer een groepsverkrachting door een bende hiphoppers, althans daar leek het in mijn ogen verdacht veel op. Zal een kwestie van perceptie zijn.

En toen ging het echte kapperswerk beginnen. Nergens kan ik zo intens mediteren als in een kappersstoel. Jammer genoeg maken de meeste kappers dit genoegen onmogelijk door hun beroepsmatige neiging tot zinledige conversatie. Bekend en berucht is de ziekelijke belangstelling van de kapper voor je vakantiebestemming. Mijn blauwharige knipkoningin deed gelukkig geen enkele poging tot een gesprek en was vooral druk bezig met haar zeer nadrukkelijk 'vrolijke' collega, die voortdurend op trippelvoeten langs dwarrelde.

Anderhalf uur na binnenkomst stond ik – keurig geknipt, dat wel – weer op straat, een totaalervaring rijker. De volgende keer maar weer naar een kapper voor de hippe, maar niet té hippe man.

vrijdag 19 september 2014

Eenzame drinker

Ik moest onlangs een paar uur zoekbrengen in de Utrechtse binnenstad, in afwachting van een feestje dat pas later op de avond zou losbarsten. Hoe deze zee van tijd te overbruggen? Mijn eerste reflex is op zo'n moment: naar de boekhandel. Gelukkig waren de winkels nog open, en boekhandel Broese bleek nog op zijn oude vertrouwde stek te zitten aan de Oudegracht. Je kunt veel zeggen over Nederland, maar de boekhandels zijn er beter gesorteerd en fraaier ingericht dan in België. Ik bleef zelfs voor mijn doen lang hangen en babbelde nog wat met de verkopers, die allemaal erg blij leken dat ze van de Polare-keten(en) zijn verlost.

Toen was het sluitingstijd en zat er niets anders op dan een terrasje te gaan opzoeken. Wat een twijfelachtig genoegen is dat toch, in je eentje in een café of restaurant te zitten ... Om niet meewarig te worden bekeken, is het zaak vooral de indruk te wekken dat je het zonder gezelschap prima naar je zin hebt. Dus bestelde ik een groot glas Bavaria en haalde de Vlaamse kwaliteitskrant tevoorschijn die ik van thuis had meegebracht. Terwijl mijn buren links en rechts hartstikke gezellig en zeer luidruchtig met elkaar zaten te te babbelen, gaf ik geen krimp en las verbeten een zeer interessant artikel over de Zweedse coalitie. Zien jullie wel mensen, hoe ik mij vermaak in mijn eentje! Jammer genoeg rukte plotseling een stevige Hollandse bries aan mijn gazet, die flapperend uit elkaar vloog. Ja, zo werd het natuurlijk niets met mijn pose van genoeglijk alleen-zijn.

Maar gelukkig, daar ging de telefoon: een oude vriend die mij lang niet had gezien, en die wilde weten hoe het mij verging in Vlaanderen. Ik legde uit dat ik even in Nederland was en dat ik 'lekker op een terrasje zat'. Of ik mij daar in Antwerpen niet een beetje geïsoleerd voelde, als Nederlander tussen al die Belgen? Nee hoor, dat viel reuze mee, kon ik hem geruststellen. Maar het was natuurlijk wel fijn om af toe nog eens in het vaderland te zijn!
Nadat we hadden opgehangen, bestelde ik snel een volgende pint.