woensdag 14 augustus 2013

Bach voor beginners

In de zomer van 1979 fietste ik naar een keurige platenwinkel in het al even keurige Hillegersberg en kocht mijn allereerste singletje: Highway to Hell van AC/DC. Thuisgekomen legde ik het kleinood direct op de dure Luxman platenspeler van mijn vader. Terwijl ik en mijn toegesnelde broer grijnzend de verrukkelijke muzikale aardbeving over ons heen lieten komen, kwam mijn vader de huiskamer binnen. Met duidelijke weerzin nam hij het tafereel in zich op.
'Wat is dit voor iets verschrikkelijks?', vroeg hij, terwijl hij een bezorgde blik wierp op zijn platenspeler, want hij koesterde een vage vrees dat het afspelen van rockmuziek schadelijk was voor de naald. 'Te gek, toch?' zei mijn broer, terwijl de hakbijlgitaren van de gebroeders Young eendrachtig doorramden. Hoofdschuddend verliet mijn vader de kamer.

Mogelijk legde dit voorval de kiem voor zijn merkwaardige idee om mijn broer en mij samen naar een uitvoering van Bachs Brandenburgse Concerten te sturen in de Rotterdamse Doelen. We waren inmiddels een jaar ouder en nog verder afgedwaald van de ernstige diepten van zijn geliefde klassieke muziek. Hij moet gedacht hebben dat onze muzikale opvoeding alleen nog te redden was door een hardhandige duw in de juiste richting.
Behalve twee toegangskaartjes kregen we geld mee om na afloop iets te gaan drinken. 'Ik vertrouw erop dat jullie echt gaan en niet meteen het café in duiken', zei mijn vader, daarmee ons beider gedachten radend.

Een beetje gegeneerd namen wij die avond plaats in de Rotterdamse muziektempel. Het voelde alsof we zonder onze ouders naar de kerk gingen: iets wat je eenvoudigweg niet vrijwillig deed op onze leeftijd. Een kwartier nadat het orkest had ingezet, fluisterde mijn broer in mijn oor: 'Kom, we zijn weg'. Ik knikte, al vond ik de muziek eigenlijk wel mooi, afgezien van dat almaar dooremmerende klavecimbel.
Even later zaten we ons drinkgeld op te maken in een café aan het Doelenplein, opgelucht maar (ik althans) ook een beetje beschaamd. Waren wij ontaarde cultuurbarbaren, gespeend van iedere goede smaak?

Toen we thuiskwamen, vroeg mijn vader gelukkig niet hoe het geweest was. Ik ging meteen naar mijn kamer, zette de koptelefoon van mijn cassetterecorder op, drukte op play en ging op bed liggen.

'And I'm going down, all the way down
I'm on the Highway to Hell'



zaterdag 29 juni 2013

Moord en doodslag



Na The Killing 3 hadden we, echte serie-junkies die we inmiddels zijn, last van ernstige ontwenningsverschijnselen. Daarom kijken we nu naar Luck: verwikkelingen rond de paardenraces, met karakterrollen van onder meer good old Dustin Hoffmann en Nick Nolte. 
     Aflevering één voltrok zich naar onze volle tevredenheid. Interessant gegeven, zorgvuldig gemaakt, goed geacteerd, maar: geen moorden. Na een strikt dieet van Scandinavische thrillers, Dexter en de motorbende-serie Sons of Anarchy is het weer wennen aan het gewone filmuniversum, waar niet per aflevering minstens vijf mensen over de kling worden gejaagd. In Luck is het enige dodelijk slachtoffer tot nu toe een paard, dat tot ontzetting van mijn eega tijdens een race zijn been breekt en wordt afgemaakt. Zielig, en ongeschikt om de filmische bloeddorst te lessen.  
     
Gelukkig is er nog Endeavour, waarin een piepjonge Morse met speels gemak moorden oplost alsof het rebussen zijn. Hier niet het lugubere kat-en-muisspel met een belgrage, pedante seriemoordenaar zoals in The Killing, maar rechttoe-rechtaan misdaden, begaan uit jaloezie, hebzucht en andere gewone menselijke motieven.     
     Wat Lund en Morse junior gemeen hebben, behalve hun onderontwikkelde privéleven, is hun humorloosheid; als ze al eens een grapje maken, is het meestal onbedoeld. Die eigenschap delen ze trouwens met hun opponenten. Vreemd genoeg zijn de lijkschouwers dan weer een tikkeltje frivool; er kan altijd wel een grapje of kwinkslag af aan de snijtafel.
      Wat mij nog het meest bevalt aan Endeavour - afgezien van de fijne, oubollige Engelse sfeer - is dat de hoofdrolspelers niet zoals in The Killing in schemerige, graftombe-achtige ruimtes hun werk moeten doen, noch met een zaklampje door kelders achter de moordenaar aanrennen, schijnbaar onkundig van het bestaan van zoiets als een lichtschakelaar. Lass die Sonne scheinen!

woensdag 12 juni 2013

Voetbalparia's



De zoon van mijn eega spaart voetbalplaatjes. Op dit moment spelers van de ‘Tjempjens Liek’, maar eerst had hij een assorti collectie spelers uit de voetbalprehistorie. Daar zat aardig wat vergane glorie bij, spelers die op de mestvaalt van de voetbalgeschiedenis zijn beland, om het zo maar eens te zeggen.

Heel toepasselijk zag ik laatst op de tv een herhaling van een oude documentaire over drie vroeg uitgerangeerde jonge profvoetballers. Zowel hun talent als hun geluk waren de jonge baltovenaars op onverklaarbare wijze kwijtgeraakt, een beetje zoals een spiritistisch medium soms ineens zijn gaven verliest en als een gewone sterveling verder door het leven moet. Pure pech. 

Je zag hoe een aalgladde spelersmakelaar tevergeefs probeerde de jonge voetbalparia’s, als kreupele kalveren, nog aan een tweede- of derderangs club te slijten voor het scheiden van markt. Intussen mochten ze gelukkig een beetje meetrainen met het tweede elftal van pakweg mateurclub ‘De Weidevogels’ om in conditie te blijven. Tot overmaat van ramp was bij twee van de belegen voetbalwonderkinderen ook nog eens hun vrouw weggelopen, wat best te begrijpen valt, want op zo’n manier is er natuurlijk geen lol meer aan om spelersvrouw te zijn. 

Voor de contrastwerking werden deze loopbaanduikvluchten afgezet tegen de glanscarrière van Royston Drenthe, toen nog spelend bij Real Madrid. Maar inmiddels is ook hij al ver afgezakt naar de periferie van ‘de voetballerij’, en trapt nu tegen een bal ergens in de binnenlanden van Tsjetsjenië, als ik het goed heb.

Het vergaat deze jongens een beetje zoals mij wanneer ik aan een voetbalpoule meedoe: na een week is mijn zogenaamde sterrenteam  bijna geheel van de kaart geveegd: iedereen geblesseerd, uitgeschakeld of nooit opgesteld, en ik bungel ergens onderaan in de poule. Pure pech natuurlijk

zaterdag 9 maart 2013

Hector

Eén van mijn grootste frustraties is dat ik zo'n groot talent heb voor het vergeten van namen. Als het geheugen een kapstok is, dan zijn namen voor mij die gladde jassen die steeds weer op de grond vallen. En dat terwijl ik het zelf erg waardeer als iemand míjn naam heeft onthouden.

In mijn allereerste baan had ik een erg dynamische chef die daar een truc voor had bedacht. Vanaf het moment dat hij iemands naam kende, begon hij die onmiddellijk achter iedere zin te plakken die hij tot die persoon richtte. De kans dat hij nog ooit een naam zou vergeten, was zo tot een verwaarloosbaar minimum gereduceerd. Zijn assistent had dezelfde gewoonte ontwikkeld, wat hun conversatie een absurdistische toets gaf:
'Goedemorgen, Eric'
'Goedemorgen, Marco.'
'Mag ik je iets vragen, Eric?'
'Natuurlijk , Marco.'
Dat kon zo soms wel een kwartier doorgaan.

Zo'n namen-handicap leidt onherroepelijk tot lastige situaties. Toen ik in Leiden studeerde, zag ik op een dag een goede vriend voorbij fietsen op het Rapenburg. Mijn mond ging open om een naam te naam roepen die ik al vijf jaar dagelijks uitsprak, maar die nu weigerde te komen. Seconden lang stond ik daar als een figurant die zijn enige regel tekst vergeten is. Toen was de naam terug, maar de vriend weg. Ik heb het hem maar niet verteld, want zelfs de beste vriendschap is tegen sommige dingen niet bestand.

Gelukkig worstelen meer mensen met dit probleem. De 9-jarige dochter van mijn eega had op school geleerd over ene Hector. Wie mag dat dan wel wezen, wilden we weten. 'Hector was een slechte man uit Duitsland', vertelde ze gretig. Ja, Hector kenden we, maar die kwam toch uit Troje? 'Hector was de baas in Duitsland. Door hem kwam er oorlog', ging ze verder. Nu begon er iets bij ons te dagen. 'Hij gaf de Joden overal de schuld van', besloot ze haar uitleg. 'Je bedoelt denk ik Hitler', zei ik. 'Oh ja, Hítler!', zei ze giechelend.

donderdag 7 februari 2013

Beste Oom Donald

Ik moet als kind niet van het bestaan van kopieermachines hebben geweten. Dat leid ik af uit mijn recente herontdekking van 10 dichtbetikte velletjes papier, bevattende de 'Donald Duck story', een geschiedenis van de Donald Duck-strip en zijn belangrijkste maker Carl Barks, alles met twee vingers overgetypt uit een bibliotheekboek. Is er een betere illustratie denkbaar van oprechte genegenheid voor de opvliegendste eend ter wereld dan dit trouwhartig monnikenwerk?

Ik heb zelfs tot tweemaal toe geprobeerd om in correspondentie te treden met Oom Donald. Mijn eerste brief begon met veel gefleem en stroopsmeerderij, om pas in de laatste regels de ware reden van mijn schrijven prijs te geven: was er wellicht een vacature beschikbaar voor een jonge striptekenaar? Mijn toenmalige leeftijd - tien jaar - hield ik wijselijk nog even achter. Dat deze stoutmoedige brief onbeantwoord bleef, kan aan de adressering gelegen hebben. Die was met 'Walt Disney Studios, Amerika' aan de summiere kant. Ook de frankering middels een postzegel van 45 cent was niet riant te noemen. Een maand later kwam de brief vuil, verkreukeld en vol indrukwekkende stempels retour afzender.

De volgende poging, twee jaar later, had meer succes. Ditmaal was ik zo pienter geweest Donald te benaderen via de burelen van zijn eigen Vrolijk Weekblad in Haarlem. Een antwoord liet dan ook niet lang op zich wachten.
'Beste Arno,' begon de brief. 'Dank je wel voor je ontzettend lange brief. Ik vind het heel erg leuk om zulke lange brieven te ontvangen.'
Zelfs op die leeftijd voel je de onwaarachtigheid van zo'n bewering al haarfijn aan. In mijn brief had ik blijkbaar ongezouten kritiek geleverd op de koers van het weekblad Donald Duck, want ietwat verongelijkt gaat het aldus verder: 'Ik ben het niet helemaal eens met jou (sic) veronderstelling dat Donald Duck helemaal gaat vernederlandsen. Iedere week zijn er meestal drie pagina's Nedelands (sic) stripgebeuren en de rest is altijd Amerikaans.' Mijn geklaag was duidelijk tegen Oom Donalds zere poot geweest, want hij dramt vrolijk door: 'Het is niet helemaal waar dat de Walt Disney figuren geheel in handen van Nederlandse striptekenaars zijn gegeven. De meeste verhalen komen uit Amerika of Denemarken.'

Sta mij toe, eigenwijze eend, om jou na 35 jaar van repliek te dienen bij monde van je eigen neefjes:
Kwik: 'Denemarken, Oom Donald?'
Kwek: 'Maar u zei toch net'
Kwak: 'dat de rest altijd Amerikaans was?'

woensdag 30 januari 2013

Echte man

De hedendaagse man heeft het niet gemakkelijk. Nog maar twee generaties geleden werd hij als vanzelfsprekend gecast in de rol van gezinshoofd en kostwinner. Waren de kinderen wat te rumoerig, dan gaf hij een slag op de tafel en de rest van de avond kon hij rustig de krant lezen.

Niet alleen die soevereine positie is hem ontnomen, maar binnenkort is hij zelfs voor de voortplanting niet meer nodig. Met behulp van kunstmatig sperma uit menselijke stamcellen kan bijvoorbeeld een lesbienne straks haar eigen partner bevruchten, al zal het door het ontbreken van een Y-chromosoom wel altijd een meisje worden. Dubbele vreugd dus voor doorgewinterde mannenhaters, die meteen maar het bestaansrecht van het hele verschijnsel man in vraag stellen: wat heb je aan zo'n testosteronfabriek, als hij nergens voor dient? Oorlog voeren, vrouwen en kinderen mishandelen en bushokjes vernielen, dat is het enige waar hij goed in is. Opgeruimd staat netjes!

Zou het waar zijn? Moet de man oude stijl vrezen voor zijn voortbestaan?
Of gaat hij onontkoombaar transformeren tot de zogenaamde 'nieuwe man', verplichte kost in de kolommen van de Viva, Avenue en Cosmopolitan.
Deze man versie 2.0 verandert voortdurend van gestalte. In den beginne was er de metroman: sensitief, uiterlijk verzorgd en niet bang om zijn emoties te tonen. Kortom: een beetje een mietje. Daarop verscheen de überseksueel ten tonele (type George Clooney), sexy, intelligent, maar wilskrachtig.
Blijkbaar voldeed die ook niet helemaal, want nu is het de beurt aan ... de retroman.
Hij is heldhaftig, gaat recht op zijn doel af en beschermt zijn vrouw. Hij is groot, heeft borsthaar en een dikke portemonnee. Wat doet de retroman zoal? 'Bier drinken en tijd doorbrengen met zijn vrienden.' Waar hebben we dat eerder gehoord? Met de retroman zijn we weer terug bij af: een onversneden macho zonder vrouwelijke trekjes.

De 'echte man' intussen laat dit alles volkomen siberisch. Hij gaat zijn eigen weg en laat de zoektocht naar zijn vermeende identiteit over aan de vrouwenbladen.

maandag 14 januari 2013

Zwijgen

Als ik geen Vlaamse geliefde had, zou ik vermoedelijk weinig te weten komen over dit nobele, maar van nature weinig mededeelzame volk. De Vlaming koestert zijn rol van eeuwige underdog en verschuilt zich het liefst achter een muur van discretie, hult zich in de mantel van de ironie. Wat hij echt denkt, daarover zwijgt hij meestal in alle landstalen. Vooral als hij met een Hollander van doen heeft.

Hoe anders is het hiermee gesteld in mijn geboorteland ... Over Nederlanders kun je veel zeggen, maar niet dat ze hun mening onder stoelen of banken steken. Moordkuilen treft men in ons landje niet aan, want de Nederlander lucht doorlopend zijn hart. Zijn mening slingert hij je het liefst recht in je gezicht. Opdat men hem toch vooral niet verkeerd begrijpe! Verfrissend? Als je van een koude douche houdt ...

Stamverwante broedervolken, ja. Maar daartussen gaapt toch een culturele kloof van behoorlijke diepte Dat bleek onlangs weer, toen ik in het vaderland was voor een bezoekje aan vrienden. Ik schoot de Gall & Gall in om een flesje wijn te kopen met net iets meer allure dan bij de naburige prijsbreker Bas van der Heijden te krijgen was. Bij binnenkomst werd ik luidkeels begroet door de ongeschoren verkoopmedewerker, wat je in Vlaanderen in een winkel niet snel zal overkomen (dat groeten bedoel ik; je niet scheren is er juist weer erg 'ín'). Nu word ik graag opgemerkt als ik een winkel binnenkom, dus tot zover niets aan de hand. Vlak na mij betrad echter een vaste klant het pand, waarna zich de volgende dialoog ontspon:

Verkoper: 'Heee hallo!'
Klant: 'Beste wensen!'
Verkoper: 'Jij ook de beste wensen.'
Klant: 'Lekkere wijntjes had je me meegegeven voor de Oud en Nieuw. Super.'
Verkoper: 'O ja, joh?' (typisch Rotterdamse taaleigenaardigheid)
Klant: 'Die witte was echt helemaal toppie hoor.'
Enzovoorts.

Intussen had ik mij bij de kassa vervoegd met mijn zorgvuldig geselecteerde cuvée. De ongedwongen conversatie was nog in volle gang. Slechts door de verkoper lang en indringend aan te kijken, wist ik hem er uiteindelijk toe te bewegen mijn aankoop af te rekenen. Wel praatte hij al timmerend op de kassa vrolijk verder met de vaste klant, alsof ik in het geheel niet bestond.
Stilzwijgend verliet ik de winkel.

dinsdag 27 november 2012

Bestsellers

De aanblik van een goed gesorteerde boekhandel is voor een schrijver in spe zowel ontmoedigend als hoopgevend.

Ontmoedigend, door het besef dat men hier een glimp opvangt van een alsmaar hoger oprijzende boekenberg, het topje van een ijsberg die niet smelt maar juist aangroeit. De gedachte overvalt je als vanzelf: wie zit er in godsnaam nog te wachten op míjn prachtroman?' Maar al wandelend langs de tafels met hoog opgetaste bestsellers, begin je te beseffen dat die uitgeefwoede ook hoop biedt. Tallozen zijn je al voorgegaan. Waarom zou het jou niet lukken je boek gepubliceerd te krijgen bij een heuse uitgeverij?

Die gedachte wordt nog sterker als je het boek 'Vijftig tinten grijs' ziet liggen, het onbegrijpelijk succesvolle debuut van Erika Mitchell, die haar midlifecrisis omzette in klinkende munt door een sm-kasteelroman te schrijven in - laten we het maar zeggen zoals het is - mavo-opstelproza. Na muzak (muziek voor niet-muzikalen) en junkfood (eten voor niet-eters) is er een geheel nieuwe leescategorie in het leven geroepen: boeken voor niet-lezers. Die term verzin ik niet zelf, maar is bedacht door Prometheus-uitgever Mai Spijkers, de gelukkige uitgever van de onverbiddelijke bestseller 'Vijftig tinten grijs'.

Als er één ding duidelijk wordt door een bezoekje aan de boekhandel, dan is het wel dat ook de literatuur onherroepelijk in handen is gevallen van de marketingjongens- en meisjes, met hun 'formats' waar iedere auteur zonder pardon in wordt geperst. Auteurs die bovendien steeds meer worden geselecteerd op uiterlijke en publicitaire kwaliteiten. Ga maar eens op zoek naar een boek van een lelijke, oude schrijver: onbegonnen werk. Ze lijken wel van de aardbodem verdwenen. En waar is de tijd gebleven dat het norse paaseilandhoofd van W.F. Hermans het enige was dat de achterkant van een boek sierde? Nu glimlachen je vanaf iedere achterflap de jonge blondjes en kekke, goedgeklede mannetjes minzaam toe, geflankeerd door een gelikte verkoopbabbel.

Nee, naïeve, dagdromende debutant, knoop het beter goed in je schrijversoren: literatuur is tegenwoordig in de eerste plaats een product, dat aan de man gebracht moet worden. Ga dus maar vast 'sparen voor een nieuwe kop', om met Gerard Reve te spreken.

dinsdag 23 oktober 2012

Sart

Drie Chinezen blokkeren het kruidenrek bij de Delhaize. Luidkeels bediscussiëren ze iets. Wat, dat weet je bij Chinezen natuurlijk nooit zeker. Af en toe wordt het gesprek onderbroken door heftige lach-erupties.

Intussen probeer ik te besluiten of ik mijn Oosterse medeburgers hardhandig opzij zal schuiven om de cayennepeper te grijpen, of dat ik eerst een - vermoedelijk weer vergeefse - tocht naar de conservenafdeling zal ondernemen voor een blikje kikkererwten.

Voor ik die knoop kan doorhakken, word ik aangesproken door een van de Chinezen: 'Excuse me, we looking for sart.' barst hij uit. 'You mean salt' verbeter ik hem. De Chinees schudt het hoofd. 'No, sart: Es Ie Ar Tie' spelt hij geduldig. 'Sorry, I have no idea.' antwoord ik geheel naar waarheid en ik verleg mijn aandacht weer naar mijn cayennepeper. 'Here, look' roept een van de andere Chinezen. Hij wijst naar een opschrift op het schap: 'Thailand salt' lees ik. 'Ah, salt!' roep ik triomfantelijk en wijs naar de onafzienbare rijen keuken- en tafelzout een halve meter verderop. 'There is the salt'. Gretig rennen de Chinezen eropaf, terwijl ik mij uit de voeten maak, richting kikkererwten. 'Is this sart?' roept een van hen mij nog na, maar ik ben al op veilige afstand.

maandag 16 april 2012

Een wijntje zonder flauwekul


"Deze wijn ruikt als stenen die na een regenbui drogen in de Spaanse middagzon" schrijft de wijnkenner van het Vlaamse dagblad 'De Morgen'. Zou dat bedoeld zijn als compliment? Over diezelfde wijn: "Hij refereert licht naar kersen, met een kruidige afdronk" (of woorden van gelijke strekking: ik heb de krant niet meer). Waarom zijn wijnrubrieken toch altijd vergeven van dit soort mislukte lyriek? Een wijncursiefje lijkt wel een alibi om straffeloos dronkenmansproza te debiteren. En daarmee doel ik echt niet op het typische wijntaaltje (afdronk, body, robe, lengte etc.) waar veel mensen zo boos en overstuur van raken. Een bepaalde terminologie heb je nu eenmaal nodig om iets zinnigs over wijn te zeggen, wil je tenminste verder komen dan algemeenheden als 'lekker'. Ter illustratie daarvan de volgende anekdote.

Ik werkte nog niet zo lang in de boekhandel toen ik eropuit gestuurd werd om een fles wijn te kopen bij de naburige wijnhandel. Er kwam een auteur signeren en toentertijd kregen die niet meer dan een boekenbon en 'een lekker flesje'. Mijn wijnkennis reikte niet veel verder dan de slobberwijntjes die ik als student van de lokale supermarkt betrok: witte 'Droe Steen' uit Zuid-Afrika en goedkope Franse merlot in de bekende scheve flessen van J.P.Chenet. Lekkere doordrinkers voor elk moment van de dag, maar met serieuze wijn had het allemaal niks te maken natuurlijk.

Met de nodige schroom stapte ik dus over de drempel van de wijnhandel. Ik voelde mij net een boertje dat in de stad chique kleren gaat kopen. Binnen waren geen bordjes om enige richting te verschaffen aan de kandidaat-wijnkoper. Op de gok liep ik naar een kast en begon aandachtig wat etiketten te bestuderen. "Kan ik u helpen?" klonk het achter mij. De eigenaar keek mij een beetje verstoord aan vanachter de toonbank. "Ik zoek een rode wijn." begon ik schaapachtig. "Voor een cadeautje." Ik dacht even na of mij nog iets te binnen schoot. "lekker fruitig." voegde ik eraan toe. De wijnhandelaar bekeek mij met groeiend misprijzen. "Fruitig? Wat bedoelt u met fruitig?". Hij kwam nu dreigend op mij toegelopen. "Een fruitige wijn is een wijn die naar fruit smaakt. Kunt u wat preciezer zijn?" Ik had ineens veel spijt van mijn onbezonnen uitlating. "Ik kom nog wel eens terug." mompelde ik en verliet haastig de winkel. Bij de supermarkt op de hoek kocht ik de fles bordeaux met het grootste chateau op het etiket en keerde boekhandelwaarts.

vrijdag 23 maart 2012

Ontmaskerd

'Deze week: alle kleurlingen 5 euro korting' las ik vanmorgen in mijn ooghoek op het raam van de kapperszaak. Een dermate politiek incorrecte 'verlezing', dat ik er zelf even van stond te kijken. 'Stond' moet men niet letterlijk opvatten, want ik fietste intussen gewoon verder. Wel was ik blijkbaar zo van mijn à propos geraakt dat ik helemaal vergat op tijd rechtsaf te slaan, waardoor ik zogezegd onbewust een volkswijk was binnengereden waar ik nog nooit eerder was geweest. En zo fietste ik ineens te midden van ... net die gekleurde medeburgers ten koste van wie mijn onderbewustzijn juist daarvoor zo'n smakeloze woordspeling had gemaakt.

Ik moest denken aan een reislustige vriend, die ooit bij een Israëlisch echtpaar ging eten. Overmand door alle voedsel en vooral alle drank die hem onophoudelijk was opgedrongen, bedankte hij aan het einde van de avond zijn gastheer en -vrouw met de wat ongebruikelijke formule "Thank you for your hostility".
Ik was gewoon een beetje moe, verklaarde mijn vriend zijn slip of the tongue. Natuurlijk, maar is dat niet juist het moment waarop een ongepaste, want vijandige gedachte erin slaagt de innerlijke censor te passeren? "The ego is not master in its own house" om Freud, de bedenker van al dit moois eens (hopelijk niet ten onrechte) aan te halen.

Versprekingen en verlezingen, ze komen zo veelvuldig voor dat diezelfde Freud ze de ‘Psychopathologie des Alltagslebens’ noemde, zo lees ik op het internet. En we kunnen aan dat rijtje ook nog het verkeerd horen toevoegen.
Zo vertelde weer een andere vriend mij onlangs hoe hij als overheidsvoorlichter eens telefonisch uitleg had moeten geven aan een journalist over het oplossen van problemen met een ondergelopen tunnel in aanbouw. "We gaan duikers inzetten die onder water gaan kijken waar het lek zit" had hij geduldig uiteengezet. De volgende dag las hij in de krant: "Duitsers in de Maas op zoek naar tunnellek".
Welke journalistieke hersenkronkel verantwoordelijk was voor deze 'fehlleistung', dat zal een raadsel blijven.

Handgeschreven wijsheden

Ik bewaar al jaren een groen schriftje met mijn ex-librisstempel op de voorkant. Er heb er in geen dertig jaar in gekeken, maar laatst nam i...