woensdag 31 december 2014

Help, mijn kapper is te hip


Toen ik nog studeerde liet ik me voor de somma van elf gulden bij de Turkse kapper op de Breestraat 'knippen'. Dat kwam neer op rats-rats met de tondeuse en binnen tien minuten stond je zo kaal als Sinéad O'Connor weer buiten.

Dat gaat er tegenwoordig wel anders aan toe. In de aanloop naar mijn huwelijk ben ik naar zo'n überhippe Antwerpse kapper gegaan, waar je voor een simpele knipbeurt een bedrag neertelt dat ik hier niet eens durf te noemen. Zo'n kapper waar men niet knipt, maar 'creëert'. Bij binnenkomst werd ik vriendelijk onthaald door een meisje met een ring door haar neus en een spijkerbroek met meer gaten dan stof. Ze parkeerde me met een nespresso aan een tafeltje met modetijdschriften vol zeer ontevreden kijkende modellen, waardoor de lust om de aangeprezen kleding aan te schaffen mij meteen verging. Uit de boxen sijpelde loungy jazz, of jazzy lounge, in elk geval: keicoole muziek.

Na enig wachten verscheen de kapster herself. Dat was schrikken. Even overwoog ik of ik mijn 'coiffure' wel wilde toevertrouwen aan iemand die zelf knalblauw haar had. Ik besloot alle terughoudendheid te laten varen, plantte mijn nek in de guillotinewasbak en gaf mij over aan een dubbele haarwassing die veel weghad van een drukpuntmassage. In deze gefixeerde positie was ik gedwongen om op een reusachtig televisiescherm te kijken naar videoclips van onder meer een groepsverkrachting door een bende hiphoppers, althans daar leek het in mijn ogen verdacht veel op. Zal een kwestie van perceptie zijn.

En toen ging het echte kapperswerk beginnen. Nergens kan ik zo intens mediteren als in een kappersstoel. Jammer genoeg maken de meeste kappers dit genoegen onmogelijk door hun beroepsmatige neiging tot zinledige conversatie. Bekend en berucht is de ziekelijke belangstelling van de kapper voor je vakantiebestemming. Mijn blauwharige knipkoningin deed gelukkig geen enkele poging tot een gesprek en was vooral druk bezig met haar zeer nadrukkelijk 'vrolijke' collega, die voortdurend op trippelvoeten langs dwarrelde.

Anderhalf uur na binnenkomst stond ik – keurig geknipt, dat wel – weer op straat, een totaalervaring rijker. De volgende keer maar weer naar een kapper voor de hippe, maar niet té hippe man.

vrijdag 19 september 2014

Eenzame drinker

Ik moest onlangs een paar uur zoekbrengen in de Utrechtse binnenstad, in afwachting van een feestje dat pas later op de avond zou losbarsten. Hoe deze zee van tijd te overbruggen? Mijn eerste reflex is op zo'n moment: naar de boekhandel. Gelukkig waren de winkels nog open, en boekhandel Broese bleek nog op zijn oude vertrouwde stek te zitten aan de Oudegracht. Je kunt veel zeggen over Nederland, maar de boekhandels zijn er beter gesorteerd en fraaier ingericht dan in België. Ik bleef zelfs voor mijn doen lang hangen en babbelde nog wat met de verkopers, die allemaal erg blij leken dat ze van de Polare-keten(en) zijn verlost.

Toen was het sluitingstijd en zat er niets anders op dan een terrasje te gaan opzoeken. Wat een twijfelachtig genoegen is dat toch, in je eentje in een café of restaurant te zitten ... Om niet meewarig te worden bekeken, is het zaak vooral de indruk te wekken dat je het zonder gezelschap prima naar je zin hebt. Dus bestelde ik een groot glas Bavaria en haalde de Vlaamse kwaliteitskrant tevoorschijn die ik van thuis had meegebracht. Terwijl mijn buren links en rechts hartstikke gezellig en zeer luidruchtig met elkaar zaten te te babbelen, gaf ik geen krimp en las verbeten een zeer interessant artikel over de Zweedse coalitie. Zien jullie wel mensen, hoe ik mij vermaak in mijn eentje! Jammer genoeg rukte plotseling een stevige Hollandse bries aan mijn gazet, die flapperend uit elkaar vloog. Ja, zo werd het natuurlijk niets met mijn pose van genoeglijk alleen-zijn.

Maar gelukkig, daar ging de telefoon: een oude vriend die mij lang niet had gezien, en die wilde weten hoe het mij verging in Vlaanderen. Ik legde uit dat ik even in Nederland was en dat ik 'lekker op een terrasje zat'. Of ik mij daar in Antwerpen niet een beetje geïsoleerd voelde, als Nederlander tussen al die Belgen? Nee hoor, dat viel reuze mee, kon ik hem geruststellen. Maar het was natuurlijk wel fijn om af toe nog eens in het vaderland te zijn!
Nadat we hadden opgehangen, bestelde ik snel een volgende pint.

maandag 21 juli 2014

Flikken Antwerpen


Ik ben net een van de Antwerpse leien overgestoken en rechts afgeslagen, als ik staande word gehouden door twee agentes in een busje.

'We rijden nu al een tijdje achter u aan,' zegt agente 1 'en u bent drie keer door het rode licht gereden.' Snel doorloop ik in gedachten mijn fietsparcours. Ik herinner me inderdaad één nogal overbodig verkeerslicht bij een zijstraatje, dat ik bijna routinematig heb genegeerd. Maar bij de volgende straten heb ik toch keurig gewacht op groen licht? Dus drie keer, dat kan nooit kloppen.'Weet u dat u daar een boete van 160 euro voor kan krijgen, meneer?' bromsnort agente 1. 'Dat is veel geld, hè', bast agente 2.
'Mogelijk heb ergens niet goed opgelet.' mompel ik schijnheilig. 'Ik ben er met mijn gedachten niet zo bij vandaag.' Professorale verstrooidheid lijkt me voor een brildrager een gepaste uitvlucht.
'O ja?' snauwt agente 2, die duidelijk in de bad cop-rol zit.'U lijkt mij anders zo'n type die overal door rood rijdt.' Voilà, bij het Antwerps politiekorps ontbreekt het mogelijk aan van alles, maar niet aan mensenkennis.

Zo dreigt dit toneelstukje een unhappy ending te krijgen in de vorm van een 'minnelijke schikking', zoals dit soort boetes in Vlaanderen bijzonder ontoepasselijk genoemd wordt. En 160 euro is inderdaad een boel geld, daar moet ik agente 2 gelijk in geven. Ik kijk met een schuin oog naar de dichtstbijzijnde zijstraat, die met een paar betonblokken voor autoverkeer is afgezet. In mijn wilde jaren heb ik weleens met de brommer een politiewagen afgeschud door snel een steegje in te crossen. Voor dergelijke stunts ben ik zo langzamerhand een beetje te oud.

Mijn hand is dus bij wijze van spreken al onderweg naar mijn portefeuille, als ik agent 1 hoor zeggen: 'De volgende keer beter opletten, meneer.' Het raampje schuift omhoog en het politiebusje begint te keren. Ik slaak een zucht van financiële opluchting. Als de bus gedraaid is zoeft het raampje aan de kant van agente 2 open. 'In Nederland mag u tenslotte ook niet door rood rijden, hé,' zegt agente 2. Voor ik de kans kreeg iets terug te zeggen, scheuren de dienders weg.

woensdag 16 juli 2014

Hé, jochie!



De kinderen van mijn eega plagen mij graag met mijn Hollandse uitspraak van het Nederlands. 'Hé, jochie, doe een beetje normaal!' of: 'hartstikke leuk, joh!' roepen ze dan in niet onverdienstelijk Danny de Munck-Amsterdams. En op dubbel volume, want Nederlanders praten keihard, dat horen ze elke dag op Ketnet en Kzoom. (Opvallend trouwens, hoe vaak de slechterik een Nederlander is in Vlaamse kinderseries of in de populaire hoorspelen van het Geluidshuis.)

Dat Vlamingen erg goed Nederlanders kunnen imiteren is volgens mij niet zo bekend. Onze pogingen om Urbanus of Paul Jambers na te doen, steken daar nogal povertjes bij af.
Ik ben in Antwerpen al eens Nederlandse 'inwijkelingen' tegenkomen die zich zo thuis voelden dat ze imitatie-Vlaams spraken tegen hun Vlaamse buren. Zelden ervoer ik meer plaatsvervangende schaamte dan bij het aanhoren van deze pseudo-Lambikken.

Diezelfde Nederlanders stelden mij de vraag of ik het niet moeilijk vond om 'Vlaams te schrijven, als Nederlands tekstschrijver zijnde'. Ze veronderstelden dat ik ook een soort koetervlaams moest hanteren om begrepen te worden door de Vlaamse lezer. Ja, dank je de koekkoek! Als ik mijn Nederlands zou doorspekken met Vlaamse woorden en uitdrukkingen, zou ik mezelf even belachelijk maken als zij.

Zolang je het niet al te dol maakt met de hollandicismen zal een Vlaming niet snel struikelen over de geschreven taal van een Nederlander. Kwestie van decennia van Hollands taalimperialisme, waardoor de norm (= de standaardtaal) ook in België nog altijd een sterk Hollands gekleurd Nederlands is.

Kennis van de lokale varianten is natuurlijk wel handig. Als een Vlaming zich in een formele context uitdrukt, gaat het er vaak gewichtig aan toe. Dan hanteert hij een taal die bij een Nederlander nogal wonderlijk aandoet. De allereerste werkgerelateerde mail die ik hier ooit ontving, zal ik niet licht vergeten. De opsteller maakte daarin gewag van 'denkpistes' die door hem bewandeld waren, en die hadden geleid tot diverse 'luiken' die moesten worden uitgewerkt 'in functie van het project'. Kon ik een en ander snel 'op punt zetten', of was dit 'quasi onmogelijk'?
Even overwoog ik heel authentiek te antwoorden met: 'Tuurlijk joh, doen we effetjes!'
Lachen, toch?

zondag 13 juli 2014

Azerty

In een ander land gaan wonen, dat betekent dat je ook de gebreken en ongerijmdheden van dat land lankmoedig aanvaardt. Of dat althans probeert.

Een van die ongerijmdheden is dat in België de azerty toetsenbordindeling wordt gebruikt. 'Azerty' verwijst naar de eerste vijf toetsen linksboven op je toetsenbord ('klavier' genoemd in Vlaanderen). De azerty-indeling is speciaal bedacht voor het typen van Franstalige teksten: letters met accenten (é, à etcetera)  hebben een aparte toets. Voor de Germaanse talen, waartoe ook het Nederlands behoort, is de zogenaamde qwerty-indeling veel praktischer. Toch typt heel Vlaanderen op een azerty-klavier. Kwestie van gewenning, vermoedelijk.

In zalige onwetendheid van deze feiten, begaf ik mij in de zomer van 2011 naar een Antwerps wervings- en selectiebureau. Aldaar ging ik een taaltest afleggen die mijn bekwaamheid in de Engelse taal moest bepalen.
Ik werd ontvangen met de in Vlaanderen jegens sollicitanten gebruikelijke bureaucratische afstandelijkheid (geen kopje koffie). Zonder plichtplegingen werd ik door een ernstige jongedame naar een kale ruimte geleid. Daar moest ik achter een soort keukentafeltje plaatsnemen waarop een computer stond met, jawel, een azerty-toetsenbord. 'U heeft dertig minuten voor de test, daarna kom ik u terug ophalen', zei de medewerkster op afgemeten toon. En weg was ze.

Terwijl de tijd genadeloos weg tikte, begon ik aan een wanhopige zoektocht naar de juiste toetsen(combinaties) op het vreemde klavier. Haakjes, punt, vraagteken: alles zat op een andere plaats. Een apenstaartje? Daar, onder het cijfer 2, rechts van de é. Maar met welke toets kon je die tevoorschijn toveren? Een simpele backslash? Nergens te bekennen. Gelukkig bleek er internetverbinding te zijn. Enig googelen bracht helderheid in de duistere werking van het azerty-klavier.
(Dat ook de testvragen via deze weg eenvoudiger op te lossen waren, heb ik mij pas later gerealiseerd.)

Het hoeft van mij geen breekpunt te worden bij de federale regeringsonderhandelingen, maar is het niet eens tijd dat Vlaanderen ook dit relict van het Franse taalimperialisme afschaft?


maandag 4 november 2013

Hop paardje, hop!



Laatst gingen de kinderen een ritje maken op de pony van een vriendinnetje. Ze vochten bijna om het dier te mogen berijden. Het brave beest bleef zelf stoïcijns onder alle drukte. Ik stond erbij en keek ernaar, op eerbiedige afstand.

Mijn verstandhouding met dit edele dier is ooit uitstekend geweest. Als ondernemende  kleuter ging ik regelmatig op verkenning in de omgeving.  Meestal onderschepten mijn ouders of buren mij voordat ik de straat uit was. Een keer werd ik teruggevonden aan de rand van een weiland, ver van huis, waar ik stond te praten tegen een paard dat aan de andere kant van het prikkeldraad geduldig toehoorde.

Het moet een jaar of twee later zijn geweest, dat mijn vader ons meenam naar de paardenmarkt in het dorpscentrum van Zuidlaren, een jaarlijks evenement dat toentertijd bekend was in heel Europa. Het was donker en koud. Overal waren boeren gehuld in dikke overjassen druk met elkaar in gesprek, sigaar in de hand. We volgden onze vader blauwbekkend langs de aan lange touwen vastgemaakte hippische koopwaar. Toen passeerden we twee dampende trekpaarden met poten zo dik als knotwilgen, waarmee ze af en toe eens stevig op de grond stampten.
'Je mag er best even op zitten', zei mijn vader tegen mij. ‘Nee hoor’, zei  ik, ervan overtuigd dat mijn tenen terstond geplet zouden worden. Maar mijn vader  begon me al met zachte dwang in de richting van de vreeswekkende knollen te duwen. ‘Ze doen niks!’ zei hij iets te luid, duidelijk geërgerd door mijn bangigheid en daardoor waarschijnlijk des te vaster van plan om me op de rug van een van de kolossen te hijsen. Pas toen ik onbedaarlijk begon te krijsen, gaf hij het op.

Uiteindelijk ben ik toch nog op een paard beland, jaren later tijdens een vakantie in Wales. Ik kreeg het ogenschijnlijk sloomste en  - onder het gewicht van de honderden toeristen - meest doorgezakte exemplaar toegewezen. Nauwelijks had ik mij in het zadel gehesen of het beest ging er in gestrekte draf vandoor. Mijn paniekerige gesjor aan de teugels zette hem (of haar, daar wil ik vanaf zijn) alleen maar aan tot nog grotere vaart, zodat ik als een rodeorijder op en neer stuiterde in het zadel. Pas na een minutenlange dollemansrit over de heuvels werd ik door een begeleider gered. Zodra het beest tot stilstand was gebracht, liet het zich op de grond vallen, mij op een haar na verpletterend onder zijn logge paardenlijf. Vergenoegd rolde de vierbenige vriend door het stof als een varken door de modder. 

Tegenwoordig krijgt elke viervoeter een vriendelijke aai over zijn snuit van mij. Maar evenmin als ik vrijwillig een leeuwenkooi instap, peins ik er nog over om op een paard te gaan zitten.

woensdag 14 augustus 2013

Bach voor beginners

In de zomer van 1979 fietste ik naar een keurige platenwinkel in het al even keurige Hillegersberg en kocht mijn allereerste singletje: Highway to Hell van AC/DC. Thuisgekomen legde ik het kleinood direct op de dure Luxman platenspeler van mijn vader. Terwijl ik en mijn toegesnelde broer grijnzend de verrukkelijke muzikale aardbeving over ons heen lieten komen, kwam mijn vader de huiskamer binnen. Met duidelijke weerzin nam hij het tafereel in zich op.
'Wat is dit voor iets verschrikkelijks?', vroeg hij, terwijl hij een bezorgde blik wierp op zijn platenspeler, want hij koesterde een vage vrees dat het afspelen van rockmuziek schadelijk was voor de naald. 'Te gek, toch?' zei mijn broer, terwijl de hakbijlgitaren van de gebroeders Young eendrachtig doorramden. Hoofdschuddend verliet mijn vader de kamer.

Mogelijk legde dit voorval de kiem voor zijn merkwaardige idee om mijn broer en mij samen naar een uitvoering van Bachs Brandenburgse Concerten te sturen in de Rotterdamse Doelen. We waren inmiddels een jaar ouder en nog verder afgedwaald van de ernstige diepten van zijn geliefde klassieke muziek. Hij moet gedacht hebben dat onze muzikale opvoeding alleen nog te redden was door een hardhandige duw in de juiste richting.
Behalve twee toegangskaartjes kregen we geld mee om na afloop iets te gaan drinken. 'Ik vertrouw erop dat jullie echt gaan en niet meteen het café in duiken', zei mijn vader, daarmee ons beider gedachten radend.

Een beetje gegeneerd namen wij die avond plaats in de Rotterdamse muziektempel. Het voelde alsof we zonder onze ouders naar de kerk gingen: iets wat je eenvoudigweg niet vrijwillig deed op onze leeftijd. Een kwartier nadat het orkest had ingezet, fluisterde mijn broer in mijn oor: 'Kom, we zijn weg'. Ik knikte, al vond ik de muziek eigenlijk wel mooi, afgezien van dat almaar dooremmerende klavecimbel.
Even later zaten we ons drinkgeld op te maken in een café aan het Doelenplein, opgelucht maar (ik althans) ook een beetje beschaamd. Waren wij ontaarde cultuurbarbaren, gespeend van iedere goede smaak?

Toen we thuiskwamen, vroeg mijn vader gelukkig niet hoe het geweest was. Ik ging meteen naar mijn kamer, zette de koptelefoon van mijn cassetterecorder op, drukte op play en ging op bed liggen.

'And I'm going down, all the way down
I'm on the Highway to Hell'



zaterdag 29 juni 2013

Moord en doodslag



Na The Killing 3 hadden we, echte serie-junkies die we inmiddels zijn, last van ernstige ontwenningsverschijnselen. Daarom kijken we nu naar Luck: verwikkelingen rond de paardenraces, met karakterrollen van onder meer good old Dustin Hoffmann en Nick Nolte. 
     Aflevering één voltrok zich naar onze volle tevredenheid. Interessant gegeven, zorgvuldig gemaakt, goed geacteerd, maar: geen moorden. Na een strikt dieet van Scandinavische thrillers, Dexter en de motorbende-serie Sons of Anarchy is het weer wennen aan het gewone filmuniversum, waar niet per aflevering minstens vijf mensen over de kling worden gejaagd. In Luck is het enige dodelijk slachtoffer tot nu toe een paard, dat tot ontzetting van mijn eega tijdens een race zijn been breekt en wordt afgemaakt. Zielig, en ongeschikt om de filmische bloeddorst te lessen.  
     
Gelukkig is er nog Endeavour, waarin een piepjonge Morse met speels gemak moorden oplost alsof het rebussen zijn. Hier niet het lugubere kat-en-muisspel met een belgrage, pedante seriemoordenaar zoals in The Killing, maar rechttoe-rechtaan misdaden, begaan uit jaloezie, hebzucht en andere gewone menselijke motieven.     
     Wat Lund en Morse junior gemeen hebben, behalve hun onderontwikkelde privéleven, is hun humorloosheid; als ze al eens een grapje maken, is het meestal onbedoeld. Die eigenschap delen ze trouwens met hun opponenten. Vreemd genoeg zijn de lijkschouwers dan weer een tikkeltje frivool; er kan altijd wel een grapje of kwinkslag af aan de snijtafel.
      Wat mij nog het meest bevalt aan Endeavour - afgezien van de fijne, oubollige Engelse sfeer - is dat de hoofdrolspelers niet zoals in The Killing in schemerige, graftombe-achtige ruimtes hun werk moeten doen, noch met een zaklampje door kelders achter de moordenaar aanrennen, schijnbaar onkundig van het bestaan van zoiets als een lichtschakelaar. Lass die Sonne scheinen!

woensdag 12 juni 2013

Voetbalparia's



De zoon van mijn eega spaart voetbalplaatjes. Op dit moment spelers van de ‘Tjempjens Liek’, maar eerst had hij een assorti collectie spelers uit de voetbalprehistorie. Daar zat aardig wat vergane glorie bij, spelers die op de mestvaalt van de voetbalgeschiedenis zijn beland, om het zo maar eens te zeggen.

Heel toepasselijk zag ik laatst op de tv een herhaling van een oude documentaire over drie vroeg uitgerangeerde jonge profvoetballers. Zowel hun talent als hun geluk waren de jonge baltovenaars op onverklaarbare wijze kwijtgeraakt, een beetje zoals een spiritistisch medium soms ineens zijn gaven verliest en als een gewone sterveling verder door het leven moet. Pure pech. 

Je zag hoe een aalgladde spelersmakelaar tevergeefs probeerde de jonge voetbalparia’s, als kreupele kalveren, nog aan een tweede- of derderangs club te slijten voor het scheiden van markt. Intussen mochten ze gelukkig een beetje meetrainen met het tweede elftal van pakweg mateurclub ‘De Weidevogels’ om in conditie te blijven. Tot overmaat van ramp was bij twee van de belegen voetbalwonderkinderen ook nog eens hun vrouw weggelopen, wat best te begrijpen valt, want op zo’n manier is er natuurlijk geen lol meer aan om spelersvrouw te zijn. 

Voor de contrastwerking werden deze loopbaanduikvluchten afgezet tegen de glanscarrière van Royston Drenthe, toen nog spelend bij Real Madrid. Maar inmiddels is ook hij al ver afgezakt naar de periferie van ‘de voetballerij’, en trapt nu tegen een bal ergens in de binnenlanden van Tsjetsjenië, als ik het goed heb.

Het vergaat deze jongens een beetje zoals mij wanneer ik aan een voetbalpoule meedoe: na een week is mijn zogenaamde sterrenteam  bijna geheel van de kaart geveegd: iedereen geblesseerd, uitgeschakeld of nooit opgesteld, en ik bungel ergens onderaan in de poule. Pure pech natuurlijk

zaterdag 9 maart 2013

Hector

Eén van mijn grootste frustraties is dat ik zo'n groot talent heb voor het vergeten van namen. Als het geheugen een kapstok is, dan zijn namen voor mij die gladde jassen die steeds weer op de grond vallen. En dat terwijl ik het zelf erg waardeer als iemand míjn naam heeft onthouden.

In mijn allereerste baan had ik een erg dynamische chef die daar een truc voor had bedacht. Vanaf het moment dat hij iemands naam kende, begon hij die onmiddellijk achter iedere zin te plakken die hij tot die persoon richtte. De kans dat hij nog ooit een naam zou vergeten, was zo tot een verwaarloosbaar minimum gereduceerd. Zijn assistent had dezelfde gewoonte ontwikkeld, wat hun conversatie een absurdistische toets gaf:
'Goedemorgen, Eric'
'Goedemorgen, Marco.'
'Mag ik je iets vragen, Eric?'
'Natuurlijk , Marco.'
Dat kon zo soms wel een kwartier doorgaan.

Zo'n namen-handicap leidt onherroepelijk tot lastige situaties. Toen ik in Leiden studeerde, zag ik op een dag een goede vriend voorbij fietsen op het Rapenburg. Mijn mond ging open om een naam te naam roepen die ik al vijf jaar dagelijks uitsprak, maar die nu weigerde te komen. Seconden lang stond ik daar als een figurant die zijn enige regel tekst vergeten is. Toen was de naam terug, maar de vriend weg. Ik heb het hem maar niet verteld, want zelfs de beste vriendschap is tegen sommige dingen niet bestand.

Gelukkig worstelen meer mensen met dit probleem. De 9-jarige dochter van mijn eega had op school geleerd over ene Hector. Wie mag dat dan wel wezen, wilden we weten. 'Hector was een slechte man uit Duitsland', vertelde ze gretig. Ja, Hector kenden we, maar die kwam toch uit Troje? 'Hector was de baas in Duitsland. Door hem kwam er oorlog', ging ze verder. Nu begon er iets bij ons te dagen. 'Hij gaf de Joden overal de schuld van', besloot ze haar uitleg. 'Je bedoelt denk ik Hitler', zei ik. 'Oh ja, Hítler!', zei ze giechelend.

donderdag 7 februari 2013

Beste Oom Donald

Ik moet als kind niet van het bestaan van kopieermachines hebben geweten. Dat leid ik af uit mijn recente herontdekking van 10 dichtbetikte velletjes papier, bevattende de 'Donald Duck story', een geschiedenis van de Donald Duck-strip en zijn belangrijkste maker Carl Barks, alles met twee vingers overgetypt uit een bibliotheekboek. Is er een betere illustratie denkbaar van oprechte genegenheid voor de opvliegendste eend ter wereld dan dit trouwhartig monnikenwerk?

Ik heb zelfs tot tweemaal toe geprobeerd om in correspondentie te treden met Oom Donald. Mijn eerste brief begon met veel gefleem en stroopsmeerderij, om pas in de laatste regels de ware reden van mijn schrijven prijs te geven: was er wellicht een vacature beschikbaar voor een jonge striptekenaar? Mijn toenmalige leeftijd - tien jaar - hield ik wijselijk nog even achter. Dat deze stoutmoedige brief onbeantwoord bleef, kan aan de adressering gelegen hebben. Die was met 'Walt Disney Studios, Amerika' aan de summiere kant. Ook de frankering middels een postzegel van 45 cent was niet riant te noemen. Een maand later kwam de brief vuil, verkreukeld en vol indrukwekkende stempels retour afzender.

De volgende poging, twee jaar later, had meer succes. Ditmaal was ik zo pienter geweest Donald te benaderen via de burelen van zijn eigen Vrolijk Weekblad in Haarlem. Een antwoord liet dan ook niet lang op zich wachten.
'Beste Arno,' begon de brief. 'Dank je wel voor je ontzettend lange brief. Ik vind het heel erg leuk om zulke lange brieven te ontvangen.'
Zelfs op die leeftijd voel je de onwaarachtigheid van zo'n bewering al haarfijn aan. In mijn brief had ik blijkbaar ongezouten kritiek geleverd op de koers van het weekblad Donald Duck, want ietwat verongelijkt gaat het aldus verder: 'Ik ben het niet helemaal eens met jou (sic) veronderstelling dat Donald Duck helemaal gaat vernederlandsen. Iedere week zijn er meestal drie pagina's Nedelands (sic) stripgebeuren en de rest is altijd Amerikaans.' Mijn geklaag was duidelijk tegen Oom Donalds zere poot geweest, want hij dramt vrolijk door: 'Het is niet helemaal waar dat de Walt Disney figuren geheel in handen van Nederlandse striptekenaars zijn gegeven. De meeste verhalen komen uit Amerika of Denemarken.'

Sta mij toe, eigenwijze eend, om jou na 35 jaar van repliek te dienen bij monde van je eigen neefjes:
Kwik: 'Denemarken, Oom Donald?'
Kwek: 'Maar u zei toch net'
Kwak: 'dat de rest altijd Amerikaans was?'

Handgeschreven wijsheden

Ik bewaar al jaren een groen schriftje met mijn ex-librisstempel op de voorkant. Er heb er in geen dertig jaar in gekeken, maar laatst nam i...